26 keer bekeken

Eckhart uit de hemel

  • donderdag 24 november 2022 @ 20:15
    #2
    reactie op (#1) kagib

    Waar het schepsel eindigt, begint God. God verlangt niet meer van ons dan uit onszelf te treden en God in ons God te laten zijn. Het geringste geschapen beeld dat zich in ons vormt, is zo groot als God. Waarom? Omdat het ons van de totale God afhoudt. Waar het beeld ingaat, moet God wijken met heel zijn godheid. Waar daarentegen het beeld uitgaat, treedt God binnen.

    God verlangt dit zó vurig alsof zijn zaligheid hiervan afhing. Hoe zouden wij God niet gunnen dat Hij in ons is? Als wij heel en al uit onszelf gaan om Godswil, gaat God heel en al uit Zichzelf om onzentwil. Hetgeen blijft nadat deze twee zijn uitgegaan, is het enkelvoudig Ene. In dit Ene baart de Vader zijn Zoon. Daaruit bloesemt de Heilige Geest op en ontspringt in God een wil die de ziel toebehoort. En zolang de wil onaantastbaar blijft voor al het geschapene, is hij vrij.

    Niemand komt in de hemel die niet uit de hemel gekomen is. Alle dingen zijn uit het niets geschapen, daarom is het niets hun eigenlijke oorsprong. Keert de edele wil zich tot het geschapene, dan verdwijnt hij met het geschapene in het niets ervan.

    De vraag is opgeworpen, of de edele ziel wel dermate verdwijnt, dat hij nooit meer kan terugkeren, voor zover hij in de tijd verdwenen is. Doorgaans geven de godgeleerden hierop een ontkennend antwoord. Maar ik zeg: als deze wil zich ook maar één ogenblik van zichzelf en al het geschapene afwendt, keert hij terug tot zijn oorsprong. Dan geniet de wil weer zijn volle vrijheid en wordt alle verloren tijd ingehaald.

    Veel mensen hoor ik zeggen: bid voor mij. En dan denk ik soms: waarom zoeken zij het buiten zichzelf? Waarom blijven zij niet in zichzelf en doen zij geen voordeel met hun eigen bezit? Immers, wij dragen alle waarheid wezenlijk in ons.

    Meester Eckhart

    Sjeetje, wat staat hier allemaal weer. 
    Ik ga het weer eens rustig bekijken. 
    Ja geen beeld maken van God, dat is eigenlijk wat hij hier uitwerkt in de eerste kolommen, alle beelden, verbeeldingen, inbeelding achter ons laten, het ware voor-beeld vrijlaten wat voor alle beelden is was en zal zijn. 
    Zolang er een beeld is kan God zich niet open-baren zo simpel is het. 

    En ja, er is het niets en het ware Niets. Eigenlijk is waar we hier zo vol van zijn niets, waardoor het ware Niets zich niet kan open-baren. Hoe eerder we ons dit ten diepste realiseren hoe groter de mogelijkheden voor wezenlijke verandering. 

    En ja, binnenin liggen alle antwoorden nergens anders. Binnenin  ligt de vervulling en nergens anders. Binnenin begint het ware Leven en nergens anders. 
    Dan mag het verhaal van de Eeuwigheid aanvangen en het verhaal van de tijd eindigen. 

    lieve warme groet Kagib

  • donderdag 24 november 2022 @ 14:18
    #1

    Waar het schepsel eindigt, begint God. God verlangt niet meer van ons dan uit onszelf te treden en God in ons God te laten zijn. Het geringste geschapen beeld dat zich in ons vormt, is zo groot als God. Waarom? Omdat het ons van de totale God afhoudt. Waar het beeld ingaat, moet God wijken met heel zijn godheid. Waar daarentegen het beeld uitgaat, treedt God binnen.

    God verlangt dit zó vurig alsof zijn zaligheid hiervan afhing. Hoe zouden wij God niet gunnen dat Hij in ons is? Als wij heel en al uit onszelf gaan om Godswil, gaat God heel en al uit Zichzelf om onzentwil. Hetgeen blijft nadat deze twee zijn uitgegaan, is het enkelvoudig Ene. In dit Ene baart de Vader zijn Zoon. Daaruit bloesemt de Heilige Geest op en ontspringt in God een wil die de ziel toebehoort. En zolang de wil onaantastbaar blijft voor al het geschapene, is hij vrij.

    Niemand komt in de hemel die niet uit de hemel gekomen is. Alle dingen zijn uit het niets geschapen, daarom is het niets hun eigenlijke oorsprong. Keert de edele wil zich tot het geschapene, dan verdwijnt hij met het geschapene in het niets ervan.

    De vraag is opgeworpen, of de edele ziel wel dermate verdwijnt, dat hij nooit meer kan terugkeren, voor zover hij in de tijd verdwenen is. Doorgaans geven de godgeleerden hierop een ontkennend antwoord. Maar ik zeg: als deze wil zich ook maar één ogenblik van zichzelf en al het geschapene afwendt, keert hij terug tot zijn oorsprong. Dan geniet de wil weer zijn volle vrijheid en wordt alle verloren tijd ingehaald.

    Veel mensen hoor ik zeggen: bid voor mij. En dan denk ik soms: waarom zoeken zij het buiten zichzelf? Waarom blijven zij niet in zichzelf en doen zij geen voordeel met hun eigen bezit? Immers, wij dragen alle waarheid wezenlijk in ons.

    Meester Eckhart