14 keer bekeken

Jan de Universele Liefde Gods

  • woensdag 03 januari 2018 @ 19:50
    #2
    reactie op (#1) kagib

    Als de zon schijnt en licht verbijzondert, zijn de lichtstralen die ons gisteren troffen niet dezelfde als die vandaag tot ons komen. De stralen van gisteren hebben hun doel bereikt, namelijk ons wezen, en hebben daarin een bepaalde werkzaamheid verricht, wanneer we er althans voor open stonden; die lichtstralen van gisteren zijn dus in ons verzonken, in ons verstorven, verdwenen, opgelost. En vandaag zijn nieuwe lichtstralen tot ons gekomen.
    Als u dit vb nu gebruikt als een gnostiek beeld, dan weet u, dat ook het Licht van de Gnosis dagelijks in ons sterft, na zijn doel, verandering, bereikt te hebben. Uit dit zich gedurig offerende Licht voltrekt zich aldus een onophoudelijk veranderend leven, een eeuwige wording, van heerlijkheid tot heerlijkheid, van kracht tot kracht. Daarom zegt Pymander: het wezen der wording is leven.

    Wie dit proces wederstaat, wie de gang der zielewording niet kent of niet wil, zal altijd door de dialectiek der doodsnatuur gegrepen worden. En niet het leven maar de dood zal dan zijn deel worden en zijn. Dat is niet de dialectiek waarvan Pymander spreekt, niet de goddelijke dialectiek, maar de dialectiek der doodsnatuur, de opheffing.
    Daarom zal de kandidaat slechts door Christus kunnen overwinnen; dwz slechts door het Licht van de Godsnatuur, slechts door het Licht van de levende zielestaat, zal het ene leven kunnen worden verwerkelijkt.
    Dit Licht van de Gnosis straalt altijd. Het is het Universele Licht, het Licht van de Universele Zon, en het offert zich ononderbroken, precies zoals het licht van de dialectiek zich offert.
    Daarom wordt gezegd dat de dood Christi, het offer Christi, ons tot leven wordt. Het Licht van de Christus is in eeuwigheid; het schenkt zich dagelijks aan ons, het sterft in ons, tot omzetting van geheel ons wezen. Ieder die zich daarvoor openstelt, heeft deel aan de Hermetische dialectiek.

    Helemaal helder wat mij betreft, heb er niets aan toe te voegen. 

    lieve warme groet Kagib

    Gewijzigd op 2018-01-03 19:50:16
  • woensdag 03 januari 2018 @ 17:50
    #1

    Als de zon schijnt en licht verbijzondert, zijn de lichtstralen die ons gisteren troffen niet dezelfde als die vandaag tot ons komen. De stralen van gisteren hebben hun doel bereikt, namelijk ons wezen, en hebben daarin een bepaalde werkzaamheid verricht, wanneer we er althans voor open stonden; die lichtstralen van gisteren zijn dus in ons verzonken, in ons verstorven, verdwenen, opgelost. En vandaag zijn nieuwe lichtstralen tot ons gekomen.
    Als u dit vb nu gebruikt als een gnostiek beeld, dan weet u, dat ook het Licht van de Gnosis dagelijks in ons sterft, na zijn doel, verandering, bereikt te hebben. Uit dit zich gedurig offerende Licht voltrekt zich aldus een onophoudelijk veranderend leven, een eeuwige wording, van heerlijkheid tot heerlijkheid, van kracht tot kracht. Daarom zegt Pymander: het wezen der wording is leven.

    Wie dit proces wederstaat, wie de gang der zielewording niet kent of niet wil, zal altijd door de dialectiek der doodsnatuur gegrepen worden. En niet het leven maar de dood zal dan zijn deel worden en zijn. Dat is niet de dialectiek waarvan Pymander spreekt, niet de goddelijke dialectiek, maar de dialectiek der doodsnatuur, de opheffing.
    Daarom zal de kandidaat slechts door Christus kunnen overwinnen; dwz slechts door het Licht van de Godsnatuur, slechts door het Licht van de levende zielestaat, zal het ene leven kunnen worden verwerkelijkt.
    Dit Licht van de Gnosis straalt altijd. Het is het Universele Licht, het Licht van de Universele Zon, en het offert zich ononderbroken, precies zoals het licht van de dialectiek zich offert.
    Daarom wordt gezegd dat de dood Christi, het offer Christi, ons tot leven wordt. Het Licht van de Christus is in eeuwigheid; het schenkt zich dagelijks aan ons, het sterft in ons, tot omzetting van geheel ons wezen. Ieder die zich daarvoor openstelt, heeft deel aan de Hermetische dialectiek.


    Jan v. Rijckenborgh